Het Bedoeninkje in Dirkshorn. Daar heb ik gewoond. En daarmee is eigenlijk ook alles direct gezegd. Was ik daar gelukkig? Aaargghh. Nee, niet echt. Was ik daar dan ongelukkig? Aaargghh. Nee, niet echt. Toen ik daar woonde hoopte ik dat ik in de vergetelheid zou verdwijnen. Maar tevens was het het ultieme vrijheidsideaal. Het was er fantastisch en tevens een grote puinhoop. Het was er mooi en afgrijselijk tegelijk. Het was gezelligheid door het aantal mensen wat daar woonden en tevens was het eenzaam door het aantal mensen wat daar woonden.
Om de situatie te schetsen. Wij woonden in een huis dat eigenlijk niet zo bijzonder was. Wij, in de vorige zin, waren de lichamelijk en geestelijk beperkte mensen die met mijn vader en een aantal anderen mee waren gegaan, of genomen, maar dat is irrelevant, om ergens een leefgemeenschap te gaan beginnen. Tegenwoordig heet dat een zorgboerderij. Zij, dus, woonden in een gewoon huis. Daar haaks op stond een oude paardenstal die mijn vader had omgebouwd tot woonhuis. Alles van hout. Een zitkuil met een honderd tachtig graden bank. Houten meubelen en boven een aantal slaapkamers met op die van ons nog een heel klein slaapzoldertje. Eigenlijk niet meer dan een vloertje vastgespijkerd aan de houten dakspanten waar een matras op lag. En soort eenpersoons huttent vastgeklonken aan het dak. Doodeng vond ik het daar en spannend tegelijk.
Verder op het terrein stonden een aantal oude kippenhokken. En een oude circuswoonwagen. Ook stond er een oud hok waar een soort klein woonhuisje van gemaakt werd. Later waren mijn broers de gelukkigen die daarin mochten slapen.
Het was daar zo gezellig omdat het een avontuur was. Altijd bezig met de bomen en buitenspelen. Natuurlijk gingen we naar school maar daarna was er spel en vertier in de open ruimte. ’s Morgens haalden we aan de overkant bij de boer een kan met verse, warme koeienmelk en aten Cornflakes. Dan werden we naar school gereden in een fantastische Rover P5. Gekocht voor de olie crisis, maar wij bleven daarin rijden toen de oliecrisis ongenadig op ons neer kwam. Het was midden jaren zeventig en dat ding deed drie kilometer per liter. Prachtig hout van binnen, een enorm stuur, heerlijke lederen fauteuils en grote klokken. We voelden ons koningen als we op het schoolplein uitstapten. We speelden op en in een oude bakfiets van een echte bakker. Een grote houten bak op een stalen frame. In de circuswoonwagen woonde iemand maar toch kwam je er graag. We bouwden vlotten van plastic tonnen om in de sloot te varen. Er waren beesten. Een pony, honden, katten. Er waren mensen, altijd. Normaal of beperkt. ’s Avonds werd ons voorgelezen uit de Scheepsjongens van Bontekoe, waarna je nooit meer in slaap kon vallen. De droom om Padde of Peter Hajo te zijn hield je wakker. Er werd gelachen en men was aan het avonturieren. Op zoek naar vrijheid en idealen. Ja, ik was daar heel gelukkig.
Maar langzaam werd deze droom verstoord. Bewoners werden afgenomen of gingen weg omdat de omstandigheden te onzeker en te losbandig waren. Een duidelijke structuur waarin de beperkten zich konden ontwikkelen kon niet voldoende geboden werden. Althans volgens de geleerden. De oogsten, waar extra geld mee verdiend moest worden, verrotten op het open veld. Omdat degene die dat verzonnen had het niet verder wilde oppakken. Mijn vader moest er een volledige baan bij nemen om het hoofd boven water te houden. En daarnaast durfde niemand verder zijn verantwoordelijkheid te nemen. Dus verdwenen de idealen in intriges. De Rover verdween in de vergetelheid. Achtergelaten, de oliecrisis trok een te grote wissel op de portemonnee. Opgevreten door de natuur. De oude bakfiets verdween in het niets. Echt op fietsen kon je toch niet, daar was hij te zwaar voor. De pony overleed, als we een van de honden eten moesten gaan geven moest je met je rug ernaar toe de pan neerzetten en heel hard wegrennen anders was jij onderdeel van zijn maal. De kat kreeg jonkies maar die werden verzopen in de sloot omdat we die gewoonweg niet konden verzorgen. Duizenden vlooien sprongen tegen je op zodra je boven een voet op de vloer zette. Het was een beestenbende. Ja, ik werd daar ook ongelukkig.
Terugkijkend op die tijd is het ooit het goede idee in de verkeerde tijd geweest. De idealen waren mooi, maar kwamen te vroeg. In latere jaren zijn de ideeën, om geestelijk en lichamelijk beperkten te laten integreren in de “gewone” maatschappij, alsnog uitgewerkt en gerealiseerd. En het was het mooie ideaal maar door de verkeerde mensen uitgedragen. Afgezien van mijn vader die de spil in het geheel was, waren er louter zweverige draaikonten of losbandige avonturiers. Daarmee kan je geen economie draaiende houden. Ook al is het een micro economie die in Dirkshorn gesticht was en die in het Bedoeninkje gestalten had moeten krijgen. Tegenwoordig heet dat een zorgboerderij. Maar dan klinkt het ook weer zakelijk. Een micro economie. In mijn herinnering was het vooral een avontuur. Het moet ook niets anders worden. Geen economie in welke vorm dan ook. De gezelligheid en de mislukking vormen samen de onmiskenbare herinnering die mij gedeeltelijk heeft gevormd en die ik van mijn leven niet gemist had willen hebben.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten